Digitale circulaire voertuigpas: wat fabrikanten vóór 2032 moeten voorbereiden

De EU-verordening 2026/1738 brengt vanaf 2032 een digitale circulaire voertuigpas. Zo structureren fabrikanten vandaag al gegevens, referenties en toegangsrechten.

door QR3 Redaktion

Digitale circulaire voertuigpas: wat fabrikanten vóór 2032 moeten voorbereiden

De nieuwe pas is een datacontract, geen extra pdf

Met de op 24 juli 2026 in het Publicatieblad gepubliceerde Verordening (EU) 2026/1738 krijgt de voertuigindustrie een eigen aanleiding voor een digitale pas: de Digital Circularity Vehicle Passport. Artikel 13 verplicht deze vanaf 1 september 2032 voor elk in de handel gebracht voertuig. Dit is noch een hernoemde batterijenpas, noch slechts een productpagina achter een QR-code. De pas moet circulaire informatie over een voertuig gestructureerd, kosteloos toegankelijk en interoperabel met andere relevante passen beschikbaar stellen.

Voor fabrikanten, toeleveranciers, demontagebedrijven en softwareteams begint het praktische werk daarom niet in 2032. Het begint met een architectuurbeslissing: welke gegevens worden op voertuigtypeniveau beheerd, welke bij een afzonderlijk voertuig of onderdeel, wie mag ze wijzigen en hoe wordt voorkomen dat dezelfde informatie in meerdere passen tegenstrijdig verschijnt?

Wat artikel 13 concreet vereist

De voertuigpas moet gratis toegankelijk zijn. De fabrikant die het voertuig in de handel brengt, is verantwoordelijk voor correcte, volledige en actuele informatie. Inhoudelijk verwijst artikel 13 onder meer naar de gegevens uit artikel 11, naar gegevens over bepaalde uitzonderingen voor lood, kwik, cadmium en zeswaardig chroom, naar verklaringen over het aandeel recyclaat in kunststoffen en de in artikel 10, lid 1, genoemde materialen, en naar de officiële catalogus van reserveonderdelen voor het betreffende voertuigtype.

De belangrijkste ontwerpvereiste is echter de koppeling tussen passen. Informatie die al via een andere pas op grond van het Unierecht beschikbaar is, moet niet in de voertuigpas worden gedupliceerd, mits interoperabiliteit is gewaarborgd. De verordening noemt uitdrukkelijk de koppeling met batterij-, banden- en andere passen. Dat beschermt niet automatisch tegen dubbel beheer: gekopieerde batterijchemie kan in de voertuigpas verouderen, terwijl de batterijgegevens correct zijn bijgewerkt. Beter is een traceerbare verwijzing met bron, versie, geldigheid en duidelijke resolutie.

Vier gegevensniveaus netjes scheiden

Een solide start onderscheidt ten minste vier niveaus.

1. Voertuigtype en variant

De officiële catalogus van reserveonderdelen, constructieve materiaalgegevens en veel verklaringen over het aandeel recyclaat hebben betrekking op een type of variant. Deze gegevens moeten niet voor elk voertuigidentificatienummer worden gekopieerd. Ze hebben een versie, een geldigheidsperiode en een bewijs van herkomst nodig, bijvoorbeeld uit een stuklijst of gehomologeerde catalogus.

2. Afzonderlijk voertuig

Een afzonderlijk voertuig heeft een unieke identiteit, een koppeling aan de variant en een tijdsgebonden traceerbare status nodig. Hier horen geen algemene bedrijfsgegevens thuis. Cruciaal is dat publieke toegang niet onbedoeld veiligheidsrelevante, persoonsgegevens of commercieel gevoelige informatie openbaar maakt.

3. Onderdeel en externe pas

Een tractiebatterij, band of later sectoraal gereguleerd onderdeel kan eigen gegevensbronnen hebben. In plaats van inhoud te spiegelen, moet het voertuigdossier een verwijzing met controlestatus bijhouden: welke bron is leidend? Voor welke voorraad geldt deze? Wanneer is deze voor het laatst geraadpleegd? Wat gebeurt er als de bron niet bereikbaar is? Dit idee sluit ook aan bij GS1 Digital Link en resolvers: een stabiel toegangspunt kan meerdere vakinhoudelijke doelen verbinden, maar vervangt niet hun gegevensbeheer.

4. Bewijs en wijzigingsgebeurtenis

‘Actueel’ is geen eigenschap voor vrije tekst. Voor elke relevante vermelding moeten bron, verantwoordelijke rol, tijdstempel, versie en reden van de wijziging herkenbaar zijn. Voor correcties of reserveonderdelen is bovendien van belang of een vermelding alleen is aangevuld, vervangen of ongeldig verklaard. Zo blijft later controleerbaar waarom informatie op een bepaald moment zichtbaar was.

Open standaarden betekenen aantoonbare uitwisselbaarheid

Artikel 13, lid 5, vereist open standaarden, interoperabele formaten, open interoperabele gegevensuitwisseling zonder leveranciersafhankelijkheid en machineleesbare, gestructureerde en doorzoekbare informatie. Daaruit volgt nog geen vast JSON-schema. Wel volgt hieruit een duidelijke toets voor inkoop en architectuur.

Een export die alleen uit een vormgegeven webpagina of een niet-versioneerde pdf bestaat, is niet afdoende aantoonbaar machineleesbaar. Even problematisch is een API-toegang die alleen voor de oorspronkelijke aanbieder leesbaar blijft. Praktisch nuttig zijn daarom versieerde gegevensschema’s, stabiele identificatoren, gedocumenteerde velden, traceerbare machtigingen en testgegevens voor import, export en bijwerking.

Voor QR-toegang geldt: de gegevensdrager moet blijvend resolveerbaar zijn, maar mag niet alle gegevens zelf bevatten. Een korte, stabiele URL met machtigings- en versielogica aan de serverzijde is robuuster dan een wisselende bestandslink. Voor een algemene controle van de drukwerk- en resolverkant helpt de handleiding voor DPP-QR-codes; de sectorspecifieke regels voor de voertuigpas worden echter pas in verdere rechtshandelingen geconcretiseerd.

Wat nog openstaat – en waarom dat belangrijk is

De Commissie moet uiterlijk 14 augustus 2030 uitvoeringshandelingen vaststellen over het technisch ontwerp en de werking. Daaronder vallen de toegangsoplossing en gegevensdrager, opslag en verwerking, updates door derden, toegangsvoorwaarden inclusief gegevensbescherming en bescherming van intellectueel eigendom, en de beschikbaarheid als de verantwoordelijke fabrikant zijn activiteiten in de Unie beëindigt. Teams moeten deze open punten niet met aannames invullen en daaruit geen conformiteitstoezegging afleiden.

De juiste tussenoplossing is een profiel dat vereisten en aannames van elkaar scheidt. Nu al kunnen gegevensherkomst, versiebeheer, rollen, openbare en beperkte weergaven en verwijzingen naar externe passen worden ingericht. Later moet het profiel worden getoetst aan de voorschriften van de Commissie. Wie deze scheiding documenteert, voorkomt een dure migratie van ogenschijnlijk voltooide, maar vanuit regelgeving verkeerd ingerichte gegevensmodellen.

Een implementatieplan tot 2032

  1. Gegevensinventaris opstellen: catalogus van reserveonderdelen, materiaalgegevens, stofuitzonderingen, bewijzen van recyclaat en bestaande batterij- of bandenreferenties vastleggen.
  2. Gegevensbeheer vastleggen: voor elke vermelding precies één leidende bron en één verantwoordelijke rol bepalen.
  3. Type, voertuig en onderdeel modelleren: geen typegegevens naar voertuigen kopiëren; geen bedrijfsgegevens zonder onderscheid publiceren.
  4. Wijzigingen bewijsbaar maken: versie, bron, tijdstip, geldigheid en reden van correctie opslaan.
  5. Toegang testen: openbare informatie, werkplaats- en overheidsweergaven en beschermde informatie bewust gescheiden controleren.
  6. Interoperabiliteit simuleren: naar een externe batterijpas of een bewijs voor een onderdeel verwijzen, uitval en versiewijziging testen en dubbel beheer zichtbaar maken.

De Digital Circularity Vehicle Passport is daarmee vooral een integratieprobleem: productgegevens, reserveonderdelen, materiaalbewijzen en latere sectorale passen moeten elkaar aanvullen zonder elkaar te overschrijven. Wie nu met identiteiten, bronnen en versies begint, creëert geen vooraf ingevulde wettelijke conformiteit – maar wel een solide basis voor de regels die tot 2030 nog volgen.

Bronnen