Op 30 mei 2025 hebben CEN en CENELEC de eerste zes Europese normen voor het Digital Product Passport (DPP) gepubliceerd: EN 18216 tot en met EN 18223. Ze vormen de technische basis waarop fabrikanten, importeurs en platformbeheerders moeten voldoen aan de vereisten van de ESPR-verordening (EU) 2024/1781. Dit artikel legt uit wat elke norm regelt, waarop deze aansluit bij bestaande regelgeving en welke architectuurbeslissingen bedrijven nu moeten nemen.
Waarom deze normen nu verschijnen
De ESPR is sinds de inwerkingtreding ervan in 2024 bindend EU-recht. Zij verplicht marktdeelnemers om voor bepaalde productgroepen een DPP beschikbaar te stellen die „actuele en nauwkeurige informatie" bevat — zo luidt de tekst van de verordening. Wat dit technisch betekent, liet de ESPR echter open. CEN en CENELEC vullen deze leemte nu met een normenpakket dat gegevensuitwisseling, unieke identificatoren, gegevensdragers, opslagarchitectuur, API's en systeeminteroperabiliteit omvat.
De timing is niet toevallig. De Europese Commissie werkt parallel aan uitvoeringsverordeningen voor sectorspecifieke DPP-vereisten — bijvoorbeeld voor textiel, staal en elektronica. Zonder geharmoniseerde technische normen zouden deze verordeningen nauwelijks uitvoerbaar zijn. CEN en CENELEC leveren daarmee het fundament waarop de gedelegeerde rechtshandelingen kunnen voortbouwen.
De zes normen in vogelvlucht
EN 18216 – Gegevensuitwisseling en algemeen gegevensmodel
EN 18216 definieert het overkoepelende gegevensmodel voor het DPP: welke informatieklassen bestaan, hoe ze zijn gestructureerd en volgens welke regels ze worden uitgewisseld. De norm maakt systematisch onderscheid tussen gegevens op productniveau (Item) en batchniveau (Lot) — een differentiatie die het JRC al in zijn staalontwerpen heeft geïntroduceerd en die cruciaal is voor dynamische gegevens zoals de productspecifieke CO₂-voetafdruk volgens ISO 14067.
EN 18217 – Unieke identificatoren
EN 18217 regelt hoe producten en productinstanties in het DPP-ecosysteem uniek worden geïdentificeerd. De norm is technologieneutraal geformuleerd, maar verwijst expliciet naar bestaande identificatiesystemen — waaronder de GTIN uit de GS1-standaard. Voor bedrijven die al met GS1 Digital Link werken, biedt EN 18217 rechtszekerheid: de daar gebruikte identificatoren voldoen aan de norm.
EN 18218 – Gegevensdragers
EN 18218 specificeert welke fysieke en digitale gegevensdragers voor het DPP zijn toegestaan: QR-codes, DataMatrix, RFID/NFC en andere. Vooral de verbinding met RAIN-RFID is relevant: TEKLYNX heeft zijn CODESOFT-software al bijgewerkt om GS1-„++"-coderingsschema's te ondersteunen, waarmee web-URL's rechtstreeks naar RAIN-RFID-taggeheugens kunnen worden geschreven — een vereiste die voortvloeit uit de combinatie van EN 18220 en de GS1 Digital Link-standaard.
EN 18219 – Gegevensopslag en registryarchitectuur
EN 18219 is de architectonisch belangrijkste norm van het pakket. Zij legt vast hoe DPP-gegevens worden opgeslagen, van versies worden voorzien en via een registry vindbaar worden gemaakt. Het uitgangspunt: de registry slaat niet de eigenlijke pasgegevens op, maar uitsluitend de unieke identificator, het resolver-eindpunt en de goederencode. De pasgegevens blijven bij de fabrikant of een geautoriseerde datatrustee.
Dit gedecentraliseerde architectuurpatroon komt overeen met het ontwerp van de uitvoeringsverordening voor de DPP-registry. Het CIRPASS-2-consortium had in zijn reactie op het registryontwerp expliciet aanbevolen om EN 18219 als bindende referentie in de uitvoeringsverordening op te nemen — onder meer om de interoperabiliteit met de GS1 Digital Link te waarborgen. Met de publicatie van de norm kan deze aanbeveling nu worden uitgevoerd.
EN 18220 – API's en gegevenstoegang
EN 18220 definieert de interfaces waarmee DPP-gegevens programmatisch kunnen worden opgehaald. De norm legt de structuur van eindpunten, authenticatievereisten en antwoordformaten vast. Voor ontwikkelaars betekent dit: wie een conform DPP-platform bouwt, moet deze API-specificatie implementeren. Een minimaal voorbeeld van een conform Resolve-verzoek zou er als volgt uit kunnen zien:
GET /dpp/resolve/{identifier}
Accept: application/json
Authorization: Bearer <token>
De norm schrijft geen specifieke programmeertaal voor, maar is gebaseerd op RESTful-principes en JSON als primair uitwisselingsformaat.
EN 18223 – Systeeminteroperabiliteit
EN 18223 rondt het pakket af en behandelt de interoperabiliteit tussen verschillende DPP-systemen, platforms en nationale infrastructuren. De norm definieert conformiteitsniveaus en legt vast aan welke minimumvereisten een systeem moet voldoen om als interoperabel te gelden. Voor bedrijven die in meerdere EU-lidstaten actief zijn, is EN 18223 de meest relevante norm: zij voorkomt dat nationale implementaties technische eilandoplossingen worden.
Verband met de Batterijverordening en sectorspecifieke vereisten
Het normenpakket is niet sectorspecifiek geïsoleerd. De Batterijverordening (EU) 2023/1542 kent het onderscheid tussen Lot en Item al impliciet: capaciteitsgegevens die door degradatie veranderen, moeten actueel worden gehouden. Zonder een duidelijke opslag- en resolverarchitectuur — zoals die nu in EN 18219 en EN 18220 wordt gedefinieerd — is aan deze vereiste nauwelijks te voldoen. Fabrikanten van industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen kunnen de nieuwe normen daarom rechtstreeks als implementatiehandleiding gebruiken.
Hetzelfde geldt voor de staalsector: het JRC-ontwerp voor sectorspecifieke DPP-vereisten bepaalt dat de productspecifieke CO₂-voetafdruk op batchniveau wordt bijgehouden en volgens ISO-14067-conforme methoden wordt berekend. EN 18216 levert daarvoor het gegevensmodel, EN 18219 de opslagarchitectuur.
Wat bedrijven nu moeten doen
De bestaande identificatie-infrastructuur inventariseren
De eerste stap is controleren of bestaande productidentificatoren voldoen aan EN 18217. Wie al GTINs en GS1 Digital Links gebruikt, is goed gepositioneerd. Wie bedrijfseigen identificatoren gebruikt, moet een migratiestrategie ontwikkelen.
De resolverarchitectuur plannen
EN 18219 maakt een resolverinfrastructuur verplicht. Bedrijven moeten beslissen of ze een eigen resolver exploiteren of een externe dienstverlener gebruiken. Doorslaggevend is dat de resolver de in de norm gedefinieerde antwoordformaten ondersteunt en met de centrale EU-DPP-registry kan communiceren.
API-conformiteit waarborgen
Wie een eigen DPP-platform exploiteert, moet de EN-18220-interfaces implementeren. Voor bedrijven zonder eigen IT-capaciteit is het raadzaam vroegtijdig een platform te selecteren dat de normen volledig ondersteunt — en niet slechts afzonderlijke aspecten ervan.
Vooruitblik: verdere normen en gedelegeerde rechtshandelingen
CEN en CENELEC hebben aangekondigd het normenpakket stapsgewijs uit te breiden. Tegelijkertijd werkt de Europese Commissie aan de sectorspecifieke uitvoeringsverordeningen die op deze normen zullen voortbouwen. Voor textiel is nog voor 2025 een verordening aangekondigd; voor elektronica en andere productgroepen volgen tot 2027 verdere stappen.
Bedrijven die nu met de implementatie beginnen, hebben een structureel voordeel: ze kunnen architectuurbeslissingen nog nemen zonder de druk van directe deadlines en hun systemen stapsgewijs aanpassen aan nieuwe sectorspecifieke vereisten — in plaats van onder tijdsdruk monolithische oplossingen te bouwen die latere wijzigingen bemoeilijken.
De publicatie van EN 18216 tot en met EN 18223 is geen bureaucratische mijlpaal, maar het startschot voor een concrete implementatiefase. Wie de normen kent, kan vandaag al de juiste koers uitzetten.