CEN en CENELEC publiceren eerste zes geharmoniseerde DPP-normen

EN 18216 tot en met EN 18223 definiëren het technische fundament van het EU Digital Product Passport. Wat de zes normen concreet regelen en wat dit betekent voor fabrikanten.

door QR3 Redaktion

CEN en CENELEC publiceren eerste zes geharmoniseerde DPP-normen

Zes normen, één fundament

Op 1 juni 2026 publiceerden CEN en CENELEC de eerste zes geharmoniseerde Europese normen voor het Digitale productpaspoort (DPP) — de normenreeks EN 18216 tot en met EN 18223, opgesteld door het Technisch Comité JTC 24. Daarmee is er voor het eerst een bindend, productoverkoepelend kader dat interoperabiliteit en dataconsistentie tussen fabrikanten, toeleveringsketens en autoriteiten technisch ondersteunt.

De timing is geen toeval: de ESPR-verordening (Ecodesign for Sustainable Products Regulation) schrijft het DPP voor als centraal instrument voor producttransparantie. Voor industriële batterijen geldt de Batterijverordening (EU) 2023/1542 al vanaf 18 februari 2027. De nieuwe normen leveren de technische taal waarin dit paspoort moet spreken.

Op 25 juni 2026 hielden CEN en CENELEC een openbaar webinar waarin de inhoud van de normen werd toegelicht — een signaal dat de normalisatie-instellingen de implementatiefase actief willen begeleiden.

Wat de normen EN 18216 tot en met EN 18223 regelen

De zes normen bestrijken vijf functionele lagen die samen de technische infrastructuur van een DPP vormen:

Protocollen voor gegevensuitwisseling en datamodellen

EN 18216 legt de basisarchitectuur vast: hoe gegevens worden gestructureerd, gerefereerd en tussen systemen uitgewisseld. Daaronder valt semantische interoperabiliteit — het vermogen van verschillende systemen om datapunten niet alleen over te dragen, maar ook correct te interpreteren. Zonder deze laag zou elke fabrikant gedwongen zijn eigen bedrijfseigen interfaces te bouwen, waardoor grensoverschrijdende gegevensuitwisseling feitelijk onmogelijk zou worden.

Eenduidige identificatoren en gegevensdragers

Een van de praktisch belangrijkste bepalingen betreft de koppeling tussen het fysieke product en de digitale gegevensset. In de praktijk komt deze verbinding tot stand via een GS1 Digital Link — een gestandaardiseerde URI die GTIN en serienummer codeert en verwijst naar de bijbehorende DPP-gegevensset. De normen schrijven voor welke identificatorformaten zijn toegestaan en hoe gegevensdragers (QR-code, RFID, Data Matrix) de machineleesbare verbinding tot stand moeten brengen.

Voor fabrikanten die vandaag al QR-codes op producten gebruiken, is dit een directe koersbepaling: statische QR-codes die naar een onveranderlijke URL verwijzen, voldoen niet aan de eisen als daarachter geen actualiseerbare gegevensset staat.

Gegevensopslag en toegangsrechten

De normen regelen ook waar en hoe DPP-gegevens mogen worden opgeslagen — decentraal bij de fabrikant, bij geaccrediteerde dienstverleners of in hybride modellen — en welke toegangsrechten gelden voor verschillende actoren (consumenten, autoriteiten, reparatiebedrijven, recyclers). Deze differentiatie is regelgevingsrelevant: niet alle datapunten zijn voor alle actoren in dezelfde mate toegankelijk.

De registrykwestie: nog open, maar dringend

Parallel aan de normen werkt de Europese Commissie aan een centrale registry waarin alle DPPs geregistreerd en vindbaar moeten worden gemaakt. Orgalim, de Europese brancheorganisatie voor technologie, heeft hiervoor duidelijke eisen geformuleerd: de registry moet grootschalige, geautomatiseerde registratieprocessen ondersteunen en tegen bedrijfsuitval zijn beveiligd.

Dit is geen academische eis. Een fabrikant van elektromotoren die dagelijks tienduizenden eenheden produceert, kan niet afhankelijk zijn van handmatige registratieprocessen. De normen creëren weliswaar de technische taal — de infrastructuur waarin deze taal opereert, moet de Commissie nog leveren.

Voor bedrijven die vandaag al met bulkimportprocessen voor productgegevens werken, is dit een kritisch punt: de eigen gegevensopslag moet zo zijn gestructureerd dat deze naadloos kan aansluiten op een toekomstige registry.

Batterijpaspoort als stresstest: dynamische gegevens als kernprobleem

De Batterijverordening is het eerste en tot nu toe veeleisendste toepassingsgebied voor het DPP. Zij schrijft uitdrukkelijk voor dat bepaalde datapunten gedurende de volledige levenscyclus van een batterij actualiseerbaar moeten blijven — waaronder State of Health (SoH) en State of Charge (SoC).

Dit is technisch uitdagend: SoH en SoC veranderen bij elke laad- en ontlaadcyclus. Voor batterijen die in een tweede leven — bijvoorbeeld als stationaire opslag na gebruik in een elektrisch voertuig — verder worden gebruikt, zijn actuele statusgegevens niet alleen wettelijk voorgeschreven, maar ook economisch relevant. Een recycler die de werkelijke restwaarde van een batterij niet kent, kan geen gefundeerde aankoopbeslissing nemen.

Het Minespider-implementatierapport 2026 identificeert twee structurele zwakke punten die in de hele sector voorkomen: versnippering van gegevens in de toeleveringsketen en ontbrekende processen voor het actualiseren van dynamische gegevens. Wie zijn paspoort eenmaal bij het op de markt brengen invult en daarna niet meer actualiseert, voldoet niet volledig aan de eisen — en loopt vanaf 18 februari 2027 het risico op ernstige complianceproblemen.

BatteryPass-Ready: testomgeving sinds 24 juni 2026

Een dag vóór het CEN/CENELEC-webinar, op 24 juni 2026, startte het consortium BatteryPass-Ready een openbare testomgeving voor het Digitale batterijpaspoort. Fabrikanten en systeemintegrators kunnen daar hun implementaties valideren aan de hand van echte testgegevens — een belangrijke stap om de periode tussen publicatie van de normen en verplichte toepassing productief te benutten.

Wat fabrikanten nu concreet moeten doen

De publicatie van de normen markeert de overgang van de politieke discussie naar de technische uitvoering. Voor bedrijven volgt daaruit een duidelijke actiebehoefte op drie gebieden:

1. Gegevensarchitectuur controleren De eigen productgegevensopslag moet worden gecontroleerd op compatibiliteit met de datamodellen van EN 18216 e.v. Bedrijfseigen formaten die niet zijn gebaseerd op gestandaardiseerde identificatoren (GTIN, serienummer), zullen niet werken in de DPP-infrastructuur.

2. Processen voor dynamische actualisering invoeren Vooral voor batterijfabrikanten, maar in de toekomst ook voor andere gereguleerde productcategorieën, moeten processen worden gedefinieerd die een continue actualisering van levenscyclusgegevens mogelijk maken. Dit betreft zowel de technische infrastructuur (API's, databasearchitectuur) als organisatorische processen (wie actualiseert wanneer welke gegevens?).

3. Identificatorstrategie vastleggen De keuze van de gegevensdrager en het identificatorformaat heeft gevolgen op lange termijn. Een GS1 Digital Link-compatibele QR-code die naar een actualiseerbare gegevensset verwijst, is vandaag de technisch meest robuuste oplossing — en sluit aan bij wat de normen impliciet veronderstellen.

Duiding: normen als noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde

De publicatie van EN 18216 tot en met EN 18223 is een belangrijke stap — maar geen eindpunt. De normen creëren technische interoperabiliteit, maar lossen de organisatorische en economische uitdagingen van gegevensverzameling in complexe toeleveringsketens niet op. Vooral voor bedrijven met veel toeleveranciers blijft de vraag hoe grondstof- en componentgegevens gestructureerd en betrouwbaar in het DPP terechtkomen, een openstaande opgave.

De komende maanden zullen laten zien hoe snel de industrie de nieuwe normen in productieve systemen omzet — en of de Commissie met de voltooiing van de centrale registry het implementatietempo kan bijhouden.