De tweede voorlopige GS1-versie voor het digitale productpaspoort brengt een belangrijke verduidelijking: Near Field Communication (NFC) kan de toegang tot productgegevens aanvullen, maar mag de tweedimensionale gegevensdrager niet vervangen. Voor fabrikanten is dit geen oproep om onmiddellijk een extra chip op elk product te plakken. Het is eerder een architectuurinstructie: een product mag meerdere fysieke toegangsroutes hebben, maar die moeten allemaal naar dezelfde betrouwbare productidentiteit leiden.
De aanleiding is concreet. GS1 presenteert de in juni 2026 gepubliceerde versie als een bijgewerkte voorlopige DPP-standaard na werkzaamheden rond Individual Trade Item Pieces (ITIP) en NFC. Het GS1-document over de tweede voorlopige versie stelt tegelijk ondubbelzinnig dat het nog niet om een geratificeerde GS1-standaard gaat en dat de inhoud vóór ratificatie kan wijzigen. Juist daarom is de publicatie geschikt voor technische voorbereiding, maar niet als enige basis voor bindende inkoopspecificaties.
Wat de EU voorschrijft – en wat nog openstaat
De ESPR-verordening (EU) 2024/1781 legt het juridische kader vast. Volgens artikel 9 bepalen productspecifieke gedelegeerde handelingen onder meer,
- of één of meerdere gegevensdragers moeten worden gebruikt,
- waar ze moeten worden aangebracht,
- of het productpaspoort op model-, partij- of individueel productniveau wordt bijgehouden en
- hoe lang het beschikbaar moet blijven.
Artikel 10 vereist de koppeling van het productpaspoort aan een permanente unieke productidentificator. De gegevensdrager moet – afhankelijk van de betreffende rechtshandeling – op het product, op de verpakking of in de begeleidende documenten staan. Het is dus geen willekeurige marketinglink, maar de fysieke brug naar een vastgelegde productidentiteit.
De sinds 20 juli 2026 operationele infrastructuur verandert deze rolverdeling niet. Het DPP-overzicht van de Europese Commissie beschrijft het proces: productinformatie wordt verzameld, het paspoort wordt geregistreerd, de volledige dataset blijft bij de marktdeelnemer of een dienstverlener, en gebruikers krijgen er toegang toe volgens hun rechten. Productspecifieke rechtshandelingen beslissen later over details zoals type gegevensdrager, positie en granulariteit.
Daarmee is ook duidelijk: de voorlopige GS1-versie concretiseert een mogelijke gestandaardiseerde implementatie. Ze maakt NFC niet algemeen verplicht en loopt evenmin vooruit op de besluiten van de EU voor afzonderlijke productgroepen.
NFC is een aanvullend kanaal, geen vervanging voor de 2D-code
Voor de DPP noemt de voorlopige GS1-versie twee visuele dragers:
- QR Code met GS1-Digital-Link-URI-syntaxis,
- Data Matrix met GS1-Digital-Link-URI-syntaxis.
NFC mag aanvullend op de 2D-barcode worden gebruikt. Voor EPC/RFID geldt tijdens een overgangsfase eveneens een aanvullende benadering. Vooral de onderbouwing voor NFC is duidelijk: de drager mag niet als mogelijke vervanging voor 2D worden voorgesteld, omdat hij ongeschikt is voor gebruik in de open toeleveringsketen.
Dit onderscheid is praktisch relevant. Een 2D-code kan iemand zien en met de native camera van een smartphone scannen. Hij kan worden afgedrukt, visueel gecontroleerd en in verschillende procesfasen worden herkend. NFC maakt daarentegen gemakkelijk naderen of aanraken mogelijk, maar blijft onzichtbaar en vereist compatibele leestechniek en een begrijpelijke aanduiding van het interactiepunt.
Een NFC-tag kan daarom zinvol zijn wanneer het product toch al elektronica bevat, de drager tegen vuil of slijtage moet worden beschermd of contactloze toegang in serviceprocessen voordelen biedt. Hij lost echter niet automatisch de eisen voor een open, zichtbare en breed bruikbare toegang op. Een architectuur die uitsluitend op NFC steunt, zou volgens het huidige voorlopige GS1-model geen betrouwbare algemene DPP-strategie zijn.
Twee dragers moeten dezelfde identiteit vervoeren
Het technisch belangrijkste punt ligt niet in de radiochip, maar in de consistentie van de identiteit. Wanneer gegevenselementen in meerdere dragers voorkomen, moeten ze dezelfde waarde hebben. Dit betreft bijvoorbeeld de GTIN en – bij identificatie op individueel productniveau – het serienummer.
Een typische fout zou zijn om de gedrukte code vanuit het verpakkingssysteem te genereren, maar de NFC-tag vanuit een afzonderlijke apparaatdatabase te programmeren. Zelfs kleine afwijkingen in serienummers, voorloopnullen of versiekenmerken kunnen dan twee ogenschijnlijk geldige maar tegenstrijdige identiteiten opleveren. Het productpaspoort zou technisch bereikbaar zijn, maar niet langer eenduidig met het fysieke product verbonden.
De veilige volgorde is daarom:
- Eerst wordt de bepalende productidentiteit vastgelegd.
- Daaruit wordt een canonieke GS1-Digital-Link-URI gegenereerd.
- Dezelfde identiteit wordt afgeleid in alle geplande dragers.
- Een geautomatiseerde vergelijking controleert QR Code, Data Matrix en NFC tegen de stamgegevens.
Deze regel past ook bij het principe „één product, één betrouwbare ingang”. Ons artikel over PPWR, QR-code en DPP laat zien waarom één 2D-code meerdere doelen kan dienen. De voorlopige GS1-versie voegt de cruciale beperking toe: als een bestaande GS1-toepassingsstandaard de nieuwe 2D-drager nog niet als alternatief toestaat, kan tijdelijk een extra barcode nodig zijn. „Eén code voor alles” is daarom een streefbeeld, geen algemene goedkeuring.
Wat de tweede versie betekent voor ITIP en granulariteit
De update behandelt naast NFC ook ITIP, dus afzonderlijke delen van een uit meerdere stukken bestaand handelsartikel. De voorlopige versie noemt hiervoor GS1 Application Identifier 8006, maar beperkt het gebruik ervan tot bepaalde configuraties. Voor bedrijven is niet zozeer de afzonderlijke code doorslaggevend, maar de achterliggende vraag: welke fysieke eenheid moet een eigen productpaspoort krijgen?
Het antwoord mag niet worden afgeleid uit de gewenste gegevensdrager. Het volgt uit de relevante rechtshandeling en het bedrijfsproces:
- Een modelpaspoort beschrijft gemeenschappelijke eigenschappen van een productvariant.
- Een partijpaspoort koppelt informatie aan een productielot.
- Een paspoort op individueel productniveau maakt instantiegebonden service-, reparatie- of levenscyclusgegevens mogelijk.
- Bij producten uit meerdere delen moet worden vastgesteld of de onderdelen zelfstandige producten zijn of slechts componenten van een overkoepelend paspoort.
Pas daarna kan worden beslist of GTIN volstaat of met partij, versie of serienummer moet worden gekwalificeerd. Wie eerst QR-codes of NFC-tags bestelt en de granulariteit later vastlegt, riskeert herdruk, herprogrammering en niet-oplosbare identiteiten in de voorraad.
Een betrouwbaar implementatieplan
1. De identiteitsovereenkomst documenteren
Leg voor elke productgroep vast welke eenheid wordt geïdentificeerd, wie de sleutel toekent en welk systeem leidend is. Documenteer ook hoe versies, partijen en serienummers worden gevormd. De identificator mag niet afhankelijk zijn van één uitvoerkanaal.
2. Een dragersmatrix in plaats van een algemene keuze
Beoordeel QR Code, Data Matrix en NFC afzonderlijk op basis van ruimte, materiaal, levensduur, leesafstand, doelgroep en bestaande procesomgeving. Een Data-Matrix-symbool kan op kleine of cilindrische onderdelen zinvoller zijn; een QR Code ligt voor toegang met de smartphonecamera voor de hand; NFC kan serviceprocessen aanvullen. De definitieve keuze blijft afhankelijk van de productspecifieke rechtshandeling.
3. Een canonieke oplossingslaag gebruiken
Alle dragers moeten naar een stabiele, gecontroleerde oplossing leiden. Inhoud mag gedurende de levenscyclus van het product veranderen zonder dat de fysieke identiteit opnieuw wordt toegekend. Het artikel over GS1 Sunrise 2027 legt uit hoe een 2D-code daarbij handels- en informatieprocessen kan verbinden.
4. Pariteit geautomatiseerd testen
Controleer niet alleen of beide dragers „iets openen”. Een vrijgavetest moet ten minste bevestigen:
- de geëxtraheerde productsleutel en kwalificatoren zijn identiek,
- het canonieke doeladres correct is,
- mobiele apparaten de publiek vrijgegeven informatie kunnen bereiken,
- beschermde rollen niet per ongeluk openbare gegevens ontvangen,
- beschadigde of verouderde dragers tot een gedefinieerde fouttoestand leiden en
- de oplossing ook na inhoudelijke wijzigingen stabiel blijft.
5. Voorlopige regels als veranderlijk behandelen
Markeer technische beslissingen die rechtstreeks uit de tweede voorlopige GS1-versie voortkomen. Zo kunnen ze bij ratificatie, verdere GS1-wijzigingen of productspecifieke EU-voorschriften gericht worden herzien. Hardwareaankopen mogen niet zo eng worden ingericht dat een latere aanpassing van de dragerkeuze het volledige productontwerp blokkeert.
Conclusie
De nieuwe voorlopige GS1-versie verschuift de focus van „QR of NFC?” naar „één identiteit, meerdere gecontroleerde toegangen”. De 2D-code blijft in het voorgestelde model de zichtbare en open basis. NFC kan het gebruik verbeteren, mits het aanvullend wordt ingezet, vanuit dezelfde identiteitsbron wordt beschreven en tegen de gedrukte drager wordt gecontroleerd.
Voor bedrijven is dit het juiste moment om processen voor identiteit, oplossing en tests voor te bereiden. Hieruit kan geen algemene verplichting voor een NFC-tag worden afgeleid. Evenmin is de voorlopige publicatie al een geratificeerde standaard. De keuze van drager en granulariteit wordt pas bindend in samenhang met de relevante EU-rechtshandelingen en de definitieve standaarden.