EU digitaal productpaspoort 2026: wat de nieuwe verordeningen werkelijk voorschrijven

ESPR, DPP-Registry, batterijverordening en EmpCo-richtlijn: een helder overzicht van de actuele regelgeving en concrete verplichtingen voor fabrikanten.

door QR3 Redaktion

EU digitaal productpaspoort 2026: wat de nieuwe verordeningen werkelijk voorschrijven

Het regelgevingskader wordt steeds uitgebreider

De zomer van 2026 markeert een keerpunt in de Europese productregelgeving. De ESPR-Verordnung (EU) 2024/1781 is sinds de vaststelling ervan bindend EU-recht — en de eerste productspecifieke uitvoeringsverordeningen krijgen concrete vorm. Tegelijkertijd startte de Europese Commissie op 9 juni 2026 inbreukprocedures tegen 20 lidstaten die de Richtlinie zur Stärkung der Verbraucher für den grünen Wandel (EU) 2024/825 (EmpCo) niet tijdig in nationaal recht hadden omgezet. Verboden op greenwashing en verplichtingen rond het communiceren van levensduur en repareerbaarheid zijn daarmee niet langer slechts politieke intentieverklaringen — ze worden gehandhaafd.

Voor bedrijven die fysieke producten op de EU-markt brengen, leidt dit tot een complex pakket verplichtingen. Dit artikel bundelt de belangrijkste ontwikkelingen van de afgelopen weken en plaatst ze binnen de bredere architectuur van het Digital Product Passport (DPP).

De DPP-Registry: register, geen gegevensopslag

Wat de uitvoeringsverordening vastlegt

Het ontwerp van de uitvoeringsverordening voor de DPP-Registry, dat de Europese Commissie eind mei publiceerde, verduidelijkt een centrale architectuurvraag: de centrale Registry slaat uitsluitend de unieke productidentifier, het Resolver-eindpunt en de goederencode op — niet de eigenlijke paspoortgegevens. Het model volgt het principe van een DNS-achtig register: wie een DPP wil opvragen, vraagt de Registry naar de verantwoordelijke Resolver, die vervolgens verwijst naar de eigenlijke gegevensopslagsystemen van de fabrikant of een geaccrediteerde dataruimte.

Deze beslissing heeft verstrekkende gevolgen voor de systeemarchitectuur. Fabrikanten moeten zelf — of via gecertificeerde dienstverleners — waarborgen dat hun gegevensopslag bereikbaar, actueel en conform de normen is. De ESPR schrijft weliswaar geen expliciete updatefrequentie voor, maar vereist uitdrukkelijk dat het DPP „actuele en nauwkeurige informatie" bevat. Voor producten met dynamische eigenschappen — zoals batterijen waarvan de capaciteit door degradatie afneemt — is dat geen triviale vereiste.

CIRPASS-2 stelt EN 18219 als verplichte norm voor

Het door de EU gefinancierde CIRPASS-2-consortium adviseerde in zijn formele standpunt over het Registry-ontwerp om norm EN 18219 als bindende referentie in de uitvoeringsverordening op te nemen. De reden: zonder een gestandaardiseerde interface tussen Registry, Resolver en gegevensopslagsysteem dreigt een lappendeken van bedrijfseigen implementaties die de grensoverschrijdende interoperabiliteit ondermijnt. EN 18219 definieert het gegevensmodel voor het DPP zelf; de aanvullende EN 18220 regelt de carrierlaag — dus hoe de identifier fysiek op het product wordt aangebracht, bijvoorbeeld via GS1 Digital Link of RAIN-RFID.

Of de Commissie deze aanbeveling overneemt, is nog onduidelijk. De consultatietermijn loopt nog; een definitieve versie wordt in het vierde kwartaal van 2026 verwacht.

Sectorspecifieke vereisten: staal en batterijen als blauwdruk

JRC-ontwerp voor stalen tussenproducten

Op 6 juni 2026 publiceerde het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie een Entwurf für die DPP-Datenanforderungen bei Stahl-Zwischenprodukten. Het document is om twee redenen richtinggevend.

Ten eerste introduceert het systematisch het onderscheid tussen batchniveau (Lot) en productniveau (Item). Statische eigenschappen zoals legeringssamenstelling of productielocatie worden op productniveau bijgehouden; dynamische of batchgebonden gegevens — met name de productspecifieke CO₂-voetafdruk (PCF) — worden op batchniveau bijgehouden. De PCF moet worden berekend volgens ISO-14067-compatibele methoden. Deze scheiding van granulariteit is geen specifiek kenmerk van staal: ze wordt in de komende sectorspecifieke uitvoeringsverordeningen als standaardpatroon verwacht.

Ten tweede laat het ontwerp zien hoe nauw DPP-verplichtingen zijn gekoppeld aan bestaande rapportageverplichtingen. Bedrijven die al in het kader van het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) PCF-gegevens verzamelen, kunnen deze structureel hergebruiken — mits hun gegevensopslag de vereiste granulariteit en actualiteit waarborgt.

Batterijverordening: eerste BESS-pilot afgerond

De Batterieverordnung (EU) 2023/1542 is de eerste verordening die een volledig DPP voor een specifieke productcategorie verplicht stelt. Op 5 juni 2026 maakten Circulor, REPT Battero en TÜV Rheinland de afronding bekend van het eerste Battery Energy Storage System (BESS)-batterijpaspoort op basis van onafhankelijk geverifieerde gegevens van derden. De pilot toont aan dat ook voor grootschalige netbatterijen aan de gegevensvereisten van de verordening kan worden voldaan — een signaal aan de industrie dat de implementatieobstakels oplosbaar, maar niet triviaal zijn.

De batterijverordening maakt de architectuurkeuze tussen Lot- en Item-niveau bijzonder inzichtelijk: capaciteitsgegevens die door degradatie veranderen, moeten actueel worden gehouden. Een statisch, eenmalig uitgegeven paspoort volstaat niet. Zonder duidelijke systeemarchitectuur en geautomatiseerde gegevensstromen is aan deze vereiste nauwelijks op schaal te voldoen.

Carriertechnologie: hoe de identifier op het product komt

De vraag hoe een DPP-identifier fysiek op het product wordt aangebracht, is vanuit regelgeving nog niet definitief beantwoord — maar de markt convergeert feitelijk op twee draagtechnologieën: 2D-barcodes (met name QR-codes met GS1 Digital Link-structuur) en RAIN-RFID. TEKLYNX heeft zijn CODESOFT-software bijgewerkt en ondersteunt nu GS1-„++"-coderingsschema's waarmee web-URL's rechtstreeks in RAIN-RFID-taggeheugens kunnen worden geschreven — een vereiste die voortvloeit uit de combinatie van EN 18220 en de GS1 Digital Link-standaard.

Aan de pilotkant kondigden Antares Vision Group en Driscoll's voor GS1 Connect 2026 een grootschalige traceerbaarheidspilot aan met jaarlijks meer dan een miljard pond vers fruit — op basis van 2D-barcodes en GS1 Digital Link op artikelniveau. Dit is geen DPP-pilot in de zin van ESPR, maar toont wel aan dat de infrastructuur voor identificatie op itemniveau in de levensmiddelenlogistiek al bestaat en kan worden opgeschaald.

Blockchain als vertrouwensanker: Hedera-pilot van Merck en The Hashgraph Group

Op 9 juni 2026 maakten The Hashgraph Group en Merck een samenwerking bekend om een EU-DPP op het Hedera-netwerk te introduceren. Merck levert daarbij zijn M-Trust-technologie voor fysieke beveiligingskenmerken; The Hashgraph Group stelt de op DLT gebaseerde traceerbaarheidsinfrastructuur beschikbaar. Het model is gericht op gereguleerde toeleveringsketens waarin fraudebestendigheid en verifieerbaarheid bijzonder kritisch zijn — zoals farmaceutische producten of speciale chemicaliën.

Technisch is deze aanpak compatibel met de Registry-architectuur: de Hedera-ledger fungeert als onveranderlijk logboek voor statuswijzigingen, terwijl de feitelijke DPP-gegevensset via een conforme Resolver opvraagbaar blijft. Of op DLT gebaseerde benaderingen expliciet in de definitieve uitvoeringsverordening worden behandeld, is onduidelijk; de ESPR zelf is technologieneutraal geformuleerd.

Actiepunten voor fabrikanten en handelaren

Standpunt van de detailhandel: Ecommerce Europe

Ecommerce Europe publiceerde op 8 juni 2026 een standpunt over de implementatie van DPP. De belangrijkste eisen: flexibele gegevensgranulariteit, een stapsgewijze invoering en vrijwillige „deel-DPPs" voor gebruikte producten. Dat laatste adresseert een reëel probleem: de ESPR verplicht primair de fabrikant tot het opstellen van de DPP; wat bij doorverkoop van gebruikte producten geldt, is nog niet definitief geregeld.

Voor handelaren volgt hieruit een plicht om de ontwikkelingen te volgen: zodra de sectorspecifieke uitvoeringsverordeningen van kracht worden, krijgen ook importeurs en in bepaalde situaties handelaren verplichtingen. Wie vandaag geen gegevensinfrastructuur opbouwt, komt bij de inwerkingtreding onder tijdsdruk te staan.

Drie concrete voorbereidingsstappen

Ongeacht de sector kunnen uit de huidige regelgeving drie operationele prioriteiten worden afgeleid:

  1. Een identifierstrategie vastleggen: op GTIN gebaseerde GS1 Digital Link-structuren zijn momenteel de meest waarschijnlijke route naar conformiteit met de normen. Bedrijven die nog geen GS1-lid zijn, moeten het lidmaatschap en de toewijzing van een prefix nu in gang zetten.

  2. De gegevensgranulariteit verduidelijken: het onderscheid tussen Lot en Item uit het JRC-staalontwerp wordt de sectornorm. Wie productgegevens nu alleen op SKU-niveau bijhoudt, moet zijn gegevensopslag herstructureren.

  3. Resolverinfrastructuur opbouwen of uitbesteden: de Registry verwijst alleen naar de Resolver — de eigenlijke gegevensopslag ligt bij de fabrikant of een dienstverlener. Dit eindpunt moet permanent bereikbaar, versiebeheerbaar en controleerbaar zijn.

Het tempo van de regelgeving zal de komende maanden verder toenemen. Met de verwachte definitieve versie van de uitvoeringsverordening voor de Registry in het vierde kwartaal van 2026 en de eerste verplichte sectorspecifieke uitvoeringsverordeningen vanaf 2027 blijft het tijdvenster voor voorbereidingen krap.